Merijn Oudenampsen: socialisme na de groei

Merijn Oudenampsen

Op deze eerste mei wil ik een klein historisch uitstapje maken, naar een tijd die soms nostalgisch als de glorieperiode wordt gezien van links, de tijd dat de verbeelding aan de macht kwam. Die periode vertoont enkele opvallende gelijkenissen met ons heden, op het gebied van hoge olieprijzen, inflatie, grondstoffenschaarste en milieubewustzijn. 

Net als het huidige kabinet, kreeg het kabinet-Den Uyl kort na installatie te maken met een oorlog met verstrekkende gevolgen. In oktober 1973 begon de Jom Kipoer-oorlog in het Midden-Oosten. Uit protest tegen de westerse steun aan Israël besloten Arabische landen tot een olie-embargo. De prijs van olie verviervoudigde in enkele maanden, in wat bekend is komen te staan als de eerste oliecrisis. Sommigen zeggen dat we nu een derde oliecrisis beleven.

Op drie december 1973 richtte premier Joop den Uyl zich tot de Nederlandse bevolking via radio en televisie. Zittend voor een stemmig grijs gordijn met een dik hoornen montuur dat opblonk onder de studiolichten, hield Den Uyl zijn beroemde toespraak. Op sombere toon deelde hij mee: ‘Zo bezien, keert de wereld van voor de oliecrisis niet terug. Wij zullen ons blijvend moeten instellen op een levensgedrag met een zuiniger gebruik van grondstoffen en energie. Daardoor zal ons bestaan veranderen. Bepaalde uitzichten vallen weg. Maar ons bestaan hoeft er niet ongelukkiger op te worden.’

2022 neoliberalismeDe oliecrisis van 1973 zou inderdaad een historisch scharnierpunt blijken, maar niet om de reden die Den Uyl had gedacht. De toevoer van olie kwam nooit in gevaar, en het gebruik van grondstoffen en energie zou in de daaropvolgende decennia enkel verder toenemen. Wel bracht de duurdere prijs van olie een wereldwijde economische schok teweeg. De ronkende motor van economische groei die het westen als vanzelfsprekend was gaan beschouwen, begon te haperen. De inflatie, werkloosheid en stagnatie die lange tijd beschouwd werden als problemen uit een ver vooroorlogs verleden, staken weer de kop op. De daaropvolgende jaren stonden in het teken van ‘stagflatie’, het gezamenlijk optreden van economische stagnatie en inflatie.

Tegen deze achtergrond kreeg het neoliberalisme nieuw elan, allereerst binnen de economische wetenschap en vervolgens in de politiek. Teken des tijds was dat Friedrich Hayek, lang een wat vergeten en marginaal figuur, de ‘Nobelprijs voor de Economie’ won in 1974, en dat Milton Friedman dezelfde eer ten deel viel in 1976. Voor wie wil weten hoe dat neoliberalisme in Nederland terecht kwam, verwijs ik graag naar mijn boek.

Maar ik wil het vandaag hebben over het linkse denken in die tijd. Het is niet zo dat de linkse maakbaarheidsagenda in 1973 ten onderging, zoals soms wel is beweerd. Het is eerder zo dat dit streven pas in volle sterkte opkwam, in reactie op de crisis.

In zekere zin vormde de crisis voor het linkse kamp een bevestiging van het eigen gelijk.  Stagflatie was niet een geheel nieuw fenomeen. De eerste voortekenen waren al zichtbaar aan het einde van de jaren zestig. Als concreet gevolg van de loonexplosies van de jaren zestig begonnen inflatie en werkloosheid gezamenlijk op te lopen. Arbeid werd hand over hand duurder, en de naoorlogse industrieën (textiel, leer, scheepsbouw) die gebouwd waren op lage lonen, begonnen in de problemen te komen. Dit alles was op links niet onopgemerkt gebleven.

Het programma Keerpunt ’72, samen opgesteld door PvdA, D66 en PPR, is vooral beroemd geworden vanwege de immateriële thematiek: de afrekening met het autoritaire bestel uit de verzuiling. De democratiseringsagenda in Keerpunt was echter intrinsiek verweven met een economisch programma, dat sindsdien wat in de vergetelheid is geraakt. Zo is de bestrijding van de stagflatie opvallend genoeg het allereerste thema dat in Keerpunt genoemd wordt:

Opeenvolgende kabinetten met een behoudend karakter zijn in gebreke gebleven een antwoord te geven op de vraagstukken van dit moment: de voortdurende inflatie, de stijgende werkloosheid, de uitdaging van de milieuproblematiek, de ongelijkheid van inkomens, vermogens, zeggenschap, enz. De dieperliggende oorzaak van dit falen is dat een effektief overheidsbeleid niet gevoerd kan worden zonder de mensen om wie het gaat bij de totstandkoming ervan te betrekken.

De gedachte was dat een linkse regering betere kaarten had om de stagflatie te bestrijden, omdat deze het vertrouwen van de vakbonden genoot en hen ook iets concreets te bieden had.  Keerpunt repte van een nieuw ‘sociaal kontrakt’. In ruil voor loonmatiging zouden de collectieve voorzieningen worden uitgebouwd en de zeggenschap van werknemers worden uitgebreid, via de versterking van de ondernemingsraden en invoering van de vermogensaanwasdeling. Keerpunt bouwde daarmee in belangrijke mate voort op het denken van de beroemde econoom John Kenneth Galbraith, die als adviseur van president John F. Kennedy internationale bekendheid genoot.

Galbraith had in de jaren vijftig het boek The Affluent Society geschreven. Het zou een soort bijbel worden voor Den Uyl en de linkervleugel van de sociaaldemocratie. The Affluent Society was een boek over private rijkdom en publieke armoede. Galbraith hekelde de Amerikaanse consumptiemaatschappij waarin burgers dure televisies en koelkasten hun huis in sleepten terwijl zij collectieve voorzieningen, zoals de openbare ruimte, de publieke infrastructuur, het milieu maar ook onderwijs en zorg verwaarloosden. Als burger verwierp Galbraith de nalatigheid die uit deze houding sprak, als econoom uitte hij zijn zorgen over de gevolgen. Wat hadden mensen aan een auto zonder een fatsoenlijk onderhouden wegennet? Hoe kon een samenleving zonder adequate zorg- en onderwijsvoorzieningen op lange termijn voldoende burgers een goed leven bieden?

Gailbraith was een criticus van het blinde streven naar economische groei. Hij was van mening dat het marktmechanisme allerlei dingen verkeerd beprijsde en daardoor een samenleving vormgaf die structureel de verkeerde prioriteiten stelde. Hij stelde voor om de private consumptie in te perken om daarmee uitbreiding van de collectieve voorzieningen mogelijk te maken. Dit zou misschien betekenen dat de economische groei zou inzakken, maar dat cijfer drukte niet de werkelijke welvaart in een samenleving uit. Den Uyl zou dit denken tot richtsnoer van zijn politiek maken. Hij bepleitte een politiek die niet om private rijkdom draaide maar om ‘de kwaliteit van het bestaan’. De overheid moest volgens Den Uyl de publieke diensten leveren die het individu niet uit eigen zak kon betalen. Niet via een koophuis, maar via goed onderwijs, goede zorg, een schone leefomgeving en sociale woningbouw kon de overheid verzekeren ‘dat er geen armoede meer is te midden van overvloed.’

Inperking van de particuliere consumptie moest ruimte maken voor uitbreiding van ondergewaardeerde collectieve goederen, om zo de kwaliteit van het bestaan te vergroten. Zoals premier Den Uyl in de regeringsverklaring van 1973 verkondigde: ‘Voor het sociaaleconomisch beleid [betekent] dit afremming van de groei van particuliere consumptie om daarmede ruimte te scheppen voor verbetering van het woon- en leefmilieu.’ De problematiek van de oliecrisis liet zich goed inpassen in dit denken. Den Uyl’s uitspraak dat ‘ons bestaan er niet ongelukkiger op [hoeft] te worden’, ademde geheel de geest van Galbraith.

Een andere belangrijke invloed op het linkse denken in de jaren zeventig was het invloedrijke rapport van de Club van Rome, De grenzen aan de groei. Met behulp van nieuwe computermodellen had een team van wetenschappers van het Massachusetts Institute of Technology uitgerekend hoe lang de bestaande grondstoffenvoorraden nog zouden meegaan, gegeven de exponentiële groei van economie en bevolking. Het rapport voorspelde dat als er niets gedaan werd om de economie te verduurzamen, het economisch systeem in de tweede helft van de 21e eeuw door grondstoffenuitputting op zijn grenzen zou stuiten. In Nederland sloeg deze boodschap in als een bom: het was al voorpaginanieuws voordat het rapport zelfs maar gepubliceerd was. ‘Ramp bedreigt wereld’, kopte NRC over een conceptversie van het rapport in augustus 1971. Van de Nederlandse pocketeditie gingen uiteindelijk 350.000 exemplaren over de toonbank. In progressieve kring werd de afname van de economische groei dan ook door de lens van het rapport van de Club van Rome gelezen. Zo stond in Keerpunt te lezen:

‘De tijd van produktie ter wille van de produktie is definitief voorbij. Een ekonomische groei die leidt tot steeds meer goederen die steeds sneller vernieuwd moeten worden, tot meer auto's op steeds grotere wegen, brengt een steeds grotere aanslag op onze schaarse ruimte en ons leefmilieu met zich mee. Tegelijkertijd worden de hulpbronnen bedreigd.’

Vaak zijn Keerpunt en het beleid van kabinet-Den Uyl beschreven als uitlopers van het economisch optimisme van de jaren zestig. Na de oliecrisis volgt dan de kentering als ‘ineens blijkt dat de bomen niet tot in de hemel groeien’. In werkelijkheid echter was de radicaliteit van het kabinet-Den Uyl eerder een gevolg van groeiende twijfel over de houdbaarheid van economische groei. Hierin school ook het belang van planning en sturing. De wegvallende werkgelegenheid moest opgevangen worden door herverdeling en uitbreiding van de collectieve sector. En doordat de vrije markt allerlei zaken niet juist beprijste – van collectieve voorzieningen tot het milieu – was het aan de overheid om de investeringen gaan sturen in een sociale en duurzame richting.

De overheid moest actiever gaan ingrijpen in de lonen en prijzen, huisvesting realiseren, arbeid herverdelen, bedrijven democratiseren en richting gaan geven aan investeringsbeslissingen, opdat deze ten dienste zouden staan van de gemeenschap. In reactie op de oliecrisis zou kortom, een nieuwe economische planning moeten ontstaan, die aansloot op de democratiseringsagenda van Nieuw Links. Niet voor niets publiceerde de Industriebond FNV in het jaar 1974 haar beruchte pamflet Fijn is anders, waarin de bond opriep tot een socialistische maatschappij. Den Uyl maakte een vergelijkbare geste in een beruchte lezing voor de christelijke werkgeversvereniging.

Op 1 oktober 1974, een jaar na het begin van de oliecrisis, was Joop den Uyl uitgenodigd te spreken over ‘socialisme en de vrije ondernemingsgewijze productie’ op de openbare ledenvergadering van het Christelijk werkgeversverbond. Den Uyl jaagde met zijn lezing de werkgevers definitief tegen zich in het harnas. Hier sprak niet de rode Sinterklaas uit de liberale verbeelding, maar de prediker van soberheid van Grenzen aan de groei. Den Uyl richtte zich in zijn lezing op ‘de bewustwording van de nieuwe schaarste’. De twintig procent van de wereldbevolking die in de rijkste landen woonde, zo constateerde Den Uyl, verbruikte ‘tachtig procent van de wereldvoorraad aan voedingsmiddelen en grondstoffen’. Dat was onhoudbaar.

Werkgevers waren vast en zeker blij verrast dat Den Uyl zich kon vinden in een nullijn voor de lonen in de private sector. Maar Den Uyl vervolgde door te stellen dat zeggenschap over de investeringsruimte die daardoor vrijkwam, eigenlijk de werknemers toebehoorde. De econoom uit Buitenveldert hield de verblufte werkgevers voor dat in ruil voor loonmatiging ‘medezeggenschap van de werknemers over de investeringsbeslissingen’ een ‘verdergaande hervorming van de structuur van de onderneming’ onvermijdelijk waren geworden. Het was het eerdergenoemde ‘sociaal kontrakt’ met de vakbonden dat al centraal stond in Keerpunt. Nu presenteerde Den Uyl het als een belangrijke stap in de overgang naar het socialisme: een ordening ‘waarin zij, die in verschillende geledingen van het productieproces werkzaam zijn, gezamenlijk het kapitaal organiseren en de tegenstelling tussen [werk]gevers en nemers overwonnen is.’

Het realiseren van de beloofde progressieve hervormingen was niet bepaald eenvoudiger geworden nu deze als voorportaal van het socialisme bekend waren komen te staan. Werkgeversvoorman Chris van Veen noemde Den Uyl’s positie ‘volslagen onverenigbaar met het voortbestaan van de vrije ondernemingsgewijze productie’. Een felle strijd brandde los over de vermogensaanwasdeling en de versterking van de ondernemingsraden. De hervormingen vormden aanleiding tot een geruchtmakende paginagrote krantenadvertentie van werkgeversorganisatie VNO op 7 oktober 1975, waarin het de noodklok luidde over de toekomst van het bedrijfsleven. Kort daarop volgde ‘De brief van de Negen’, waarin de bestuursvoorzitters van de negen grootste Nederlandse multinationals zich fel keerden tegen het beleid van het kabinet-Den Uyl. Zij verweten het kabinet vanuit ‘een eenzijdige en dogmatische visie’ naar maatschappijverandering te streven, en zo de ‘levenswetten’ van de ondernemingsgewijze productie dreigde te doorkruizen.

De radicaliteit van het investeringsbeleid van het kabinet-Den Uyl moet echter ook niet worden overdreven. Doordat de progressieve partijen geen meerderheid hadden en afhankelijk waren van de steun van de christelijke partijen, werd de soep een stuk minder heet gegeten dan deze was opgediend. Ruud Lubbers, de katholieke minister van Economische Zaken, maakte van de publieke investeringsstrategie (de WIR) een genereuze en tot weinig verplichtende subsidiepot waar volgens critici bovenal de grootste ondernemingen hun voordeel mee deden. Lubbers zag het ook als de taak van Economische Zaken om ‘weerwerk te bieden tegen het anti-groei virus, voortkomend uit het Club van Rome-denken’. Het kabinet-Den Uyl was al met al minder radicaal dan de retoriek soms deed vermoeden. Den Uyl stelde zelf al in zijn werkgeverslezing dat ‘Lubbers van de Noordpool komt, en ik van de Zuidpool’ en dat ze elkaar toch ‘op de evenaar ontspannen de hand reiken’. De vermogensaanwasdeling en de versterking van de ondernemingsraden zouden er door felle oppositie van werkgevers en christelijke partijen überhaupt niet komen.

Wat is nu de relevantie van dit verhaal voor het heden? Er valt hier nog veel meer over te zeggen, maar laten we toegaan naar de lessen van deze episode voor het heden. De horizon van onze politiek wordt bepaald door een klimaatcrisis die op termijn alle andere thema’s naar de achtergrond zal duwen. Tegelijkertijd wordt er volop gediscussieerd over linkse samenwerking tussen PvdA en GroenLinks. Het is een veelgehoord argument dat beide stromingen andere historische wortels hebben. Kijken we echter naar Den Uyl in de jaren zeventig, dan zien we een eco-socialist, die de economische groei ter discussie stelde als maatstaf van ons welbevinden.

De vraag wat het socialisme precies inhoudt, wordt vandaag de dag door weinigen gesteld, laat staan dat een linkse premier het daarover heeft ten overstaan van het georganiseerde bedrijfsleven. Politieke zeggenschap over investeringsbeslissingen is met de klimaatcrisis weer een thema van belang, alleen neemt de politiek daarin een veel bescheidener rol dan toen. Het gaat nu over de vergroening van de financiële sector. De radicaliteit van het denken van Den Uyl op dit vlak, moedigt ons aan om ambitieuzer te zijn. Daarnaast stelde Den Uyl de kwaliteit van het bestaan centraal in zijn socialisme, en biedt daarmee een politiek richtsnoer waar linkse partijen en vakbonden vandaag de dag nog steeds op terug kunnen grijpen. Zo ook op deze 1e mei.

Het boek ligt vanaf 12 mei in de winkel.

Links

Jeroen, bedankt!

on 10 januari 2020 in Links Lees meer

Vroeger promootte ik gas

on 15 januari 2020 in Links Lees meer

Wim Kok (1938-2018)

on 23 oktober 2018 in Links Lees meer

Succesvol transformeren

on 20 februari 2017 in Links Lees meer

Buurtenquête

on 05 januari 2017 in Links Lees meer
­